Learn Dutch via email
NEWFind out your Dutch levelTake the short quiz free

Get to your Dutch Language goals improving regularly

Combined Shape CopyCreated with Sketch.

Boost your progress with a weekly compilation of video lessons, podcast episodes, dutch grammar, stories, exercise pdfs and much more.


Free, cancel anytime
Combined Shape CopyCreated with Sketch.

List of very common irregular verbs

Are you looking for a list with irregular verbs in Dutch? Here are some very common irregular verbs in Dutch present tense, perfect tense and imperfect tense (simple past).

Share&Save

Learn the theory

This is a list with 40 Dutch irregular verbs.

These verbs are used a lot.

  • to start: beginnen - ik ben begonnen - ik begon

  • to bring: brengen - ik heb gebracht - ik bracht

To start

  • Infinitief

  • beginnen

  • Perfectum

  • ben begonnen

  • Imperfectum

  • begon

To bring

  • Infinitief

  • brengen

  • Perfectum

  • heb gebracht

  • Imperfectum

  • bracht

To think

  • Infinitief

  • denken

  • Perfectum

  • heb gedacht

  • Imperfectum

  • dacht

To do

  • Infinitief

  • doen

  • Perfectum

  • heb gedaan

  • Imperfectum

  • deed

  1. Doen gedaan (heb) deed to do

  2. Eten gegeten (heb) ate to eat

  3. Gaan gegaan (ben) ging to go

  4. Genieten genoten (heb) genoot to enjoy

  5. Geven gegeven (heb) gaf to give 

  6. Hebben gehad (heb) had to have

  7. Helpen geholpen (heb) hielp to help

  8. Houden gehouden (heb) hield to hold (+ van = to love)

  9. Kiezen gekozen (heb) koos to choose

  10. Kijken gekeken (heb) keek to look

  11. Komen gekomen (ben) kwam to come

  12. Kopen gekocht (heb) kocht to buy

  13. Krijgen gekregen (heb) kreeg to get

  14. Kunnen gekund (heb) kon to can

  15. Lachen gelachen (heb) lachte to laugh

  16. Laten gelaten (heb) liet to let

  17. Lezen gelezen (heb) las to read

  18. Liggen gelegen (heb) lag to lie

  19. Lopen gelopen (heb) liep to walk

  20. Moeten gemoeten (heb) moest to have to 

  21. Mogen gemogen (heb) mocht to may 

  22. Nemen genomen (heb) nam to take 

  23. Rijden gereden (heb) reed to drive

  24. Schrijven geschreven (heb) schreef to write

  25. Slapen geslapen (heb) sliep to sleep

  26. Spreken gesproken (heb) sprak to speak

  27. Vergeten vergeten (heb/ben)vergat to forget

  28. Vinden gevonden (heb) vond to find

  29. Vragen gevraagd (heb) vroeg to ask

  30. Willen gewild (heb) wilde to want

  31. Worden geworden (ben) werd to become 

  32. Zeggen gezegd (heb) zei to say 

  33. Zien gezien (heb) zag to see

  34. Zijn geweest (ben) was to be 

  35. Zitten gezeten (heb) zat to sit

  36. Zoeken gezocht (heb) zocht to search

  37. Zullen - zou will/shall 

Voorbeelden perfectum Nederlands: 

  • Ik heb een leuk boek gelezen. 

  • Ik ben naar de bioscoop geweest. 

  • Wij hebben een geweldige dag gehad. 

Voorbeelden imperfectum Nederlands: 

  • Hij reed heel snel. 

  • Zij zei dat ze geen tijd had. 

  • Vroeger ging ik op de fiets naar school.

Related practice books!

See all books