Combined Shape CopyCreated with Sketch.

Zijn of Hebben in het perfectum?


Theory

Wanneer gebruik je "zijn" in plaats van "hebben" in perfectum in het Nederlands?

In het perfectum gebruik je een hulpwerkwoord. Het zal je zijn opgevallen dat dit voor sommige werkwoorden een vorm van "hebben" is en voor sommige werkwoorden "zijn". Veel werkwoorden kunnen samengaan met beide, afhankelijk van het gebruik.

Gewoonlijk wordt "hebben" gebruikt voor acties die het onderwerp doet / uitvoert. In de onderstaande lijst vindt u informatie om te weten wanneer u "zijn" moet gebruiken.

1. als er een duidelijke beweging in de richting van iets is, gebruik je een vorm van "zijn".

Bijvoorbeeld: 

  • Ik ben naar het bos gewandeld 

  • Ik heb in het het bos gewandeld. 

  • Ik ben richting huis gefietst.

  • Ik heb in de natuur gefietst. 

Het woord “naar” en “richting” suggereert een beweging richting iets, dus gebruik je ben (zijn).

2) als de status van het onderwerp verandert vanwege de actie of als hij / zij de actie ondergaat in plaats van het te doen (passieve zinnen)

Bijvoorbeeld:

  • Ik heb mijn huiswerk gemaakt. (“Ik” does the action, so hebben)

  • Het huiswerk is gemaakt. (the homework undergoes the action, the state of the homework has been changed, so zijn)

  • Ik heb mijn levensstijl veranderd (“Ik” does the action, so hebben)

  • Ik ben veranderd. (“ik” undergoes the action, so zijn).

  • Hij heeft het gezien. (“Hij” does the action - he has seen it - so hebben)

  • Hij is gezien (“Hij” undergoes the action - he has been seen - so zijn).

  • Hij heeft gepest (He has bullied, doing the action)

  • Hij is gepest (he has been bullied, undergoing the action)

Je kunt niet altijd zijn én hebben gebruiken. Een werkwoord zoals voetballen kun je niet ondergaan, je kunt het alleen zelf doen. Dus voetballen combineer je altijd met "hebben" in het perfectum.

3)  Sommige werkwoorden gaan altijd samen met “zijn”.

Sommige werkwoorden gaan in het perfectum altijd samen met zijn. Dit heeft verschillende redenen. Soms is het omdat de staat van het subject duidelijk verandert (2). Soms omdat er een duidelijke relatie is met een beweging in een richting (1). En bij sommige werkwoorden is het wat minder logisch. Je moet ze uit je hoofd leren.

Voorbeelden:

  • gaan (beweging) ik ben gegaan.

  • trouwen (verandering van staat) ik ben getrouwd.

  • vallen (niet echt duidelijk) ik ben gevallen

Binnenkort vind je een boek in onze winkel over dit onderwerp, met lijsten en oefeningen!