Part 3: choose and explain. Use this frame:
Four sentences, about 30–40 seconds. Compare with a comparative if you can: De bus is sneller, maar de fiets is goedkoper.
Part 4: tell a picture story. Look at all three pictures before you start. Then tell one or two sentences per picture with order words:
Tell the story in the present tense ("Vertel wat er gebeurt"): it is simpler and correct. If the question asks "Wat is er gebeurd?", use the perfectum. Pick one tense and stay in it. Add a feeling at the end: Ze is blij. Gelukkig!
Opinion questions. Ik vind dat… · Volgens mij… · Ik denk dat… + a reason (omdat) + a small example (bijvoorbeeld…). If you are not sure, you can still give an opinion: Ik denk het wel, omdat… Use zou for a "what would you do" question: Ik zou de trein nemen.
Keep going. If you get stuck, describe what you see: who, where, what they do. That always counts.
Students look at the prompt, take 10 seconds to think, record their answer (about 30–60 seconds), listen back and tick the checklist. Pro students send the recordings to their teacher. Image briefs for the design team are in italics.
Prompt 1 · Kiezen. Uw vriend wordt dertig. Wat geeft u hem? Plaatje A: een boek. Plaatje B: een cadeaubon voor een restaurant. Kies en leg uit waarom.
Model answer: Ik kies de cadeaubon voor het restaurant. Mijn vriend gaat graag uit eten, en hij leest bijna nooit. Ten eerste is het gezellig: hij kan samen met zijn vriendin gaan. Ten tweede is een boek een beetje saai voor hem. Het nadeel is dat een cadeaubon duurder is, maar dertig worden is ook speciaal!
Prompt 2 · Verhaal. Kijk naar de drie plaatjes. Vertel wat er gebeurt. (Plaatje 1: een man bakt een taart en zet hem in de oven. Plaatje 2: zijn telefoon gaat; hij praat lang en lacht. Plaatje 3: rook uit de oven, de taart is zwart, de man schrikt.)
Model answer: Eerst bakt een man een taart. Hij zet de taart in de oven. Daarna gaat zijn telefoon. Het is een vriend, en ze praten heel lang. De man lacht en vergeet de taart. Tot slot ruikt hij rook! De taart is helemaal zwart. De man schrikt. Nu moet hij een taart kopen bij de bakker.
Prompt 3 · Mening. Wat vindt u: woont u liever in een grote stad of in een dorp? Waarom?
Model answer: Ik woon liever in een dorp. Het is daar rustiger en veiliger voor kinderen, en je kent je buren. Het voordeel van een stad is natuurlijk dat er veel winkels en werk zijn. Maar ik vind de natuur belangrijker. Ik zou bijvoorbeeld graag in een dorp bij de Veluwe wonen.
Checklist (yes/no), for each recording
Component: Spreken. Task type: choose and explain (part 3), tell a picture story (part 4), and give your opinion.
Most common mistakes
No replies yet — start the conversation