Blog

Exam tip: presenting a graph in two minutes

Use the preparation time for a plan, not a script.

Last updated: 10/31/2026

Strategy notes

Use the preparation time for a plan, not a script. Write four key words, one per part:

  1. Wat (15 s): what the graph shows. Deze grafiek gaat over… · Op de horizontale as staan…, op de verticale as… · De periode is…
  2. Hoe (45 s): the two or three most important developments. Allereerst valt op dat… · Vervolgens zie je dat… · In vergelijking met… Name the start, the end and any peak or low point; not every number.
  3. Waarom (30 s): a possible explanation. Een mogelijke verklaring is dat… · Dat komt waarschijnlijk doordat…
  4. Wat nu (30 s): an expectation or a conclusion. Ik verwacht dat… · Samengevat…

That adds up to two minutes. If you're finished early, add a comparison (In vergelijking met 2015…) or a personal link (In mijn eigen stad zie ik hetzelfde…).

Medium tasks (30 seconds) are three to four sentences: answer the question in the first sentence, then give a reason or example, then round off.

Short tasks (20 seconds) are one or two sentences; react naturally and completely.

Speak calmly. A clear, slightly slower answer with a good structure scores better than a fast one full of corrections. If you make a mistake, correct it once and carry on.

Open task: Spreken: lange en middellange opdrachten

Students record their answers (phone or laptop) and send them to the teacher.

Prompt A · long task (preparation about 1 minute, speaking 2 minutes)

U ziet een staafdiagram: "Hoe gaan werknemers in Nederland naar hun werk?" (2015 en 2025, in procenten; de cijfers zijn verzonnen). Beschrijf het diagram, noem de belangrijkste veranderingen, geef een mogelijke verklaring en zeg wat u voor de komende jaren verwacht.

Vervoermiddel · 2015 · 2025

  • Auto · 58% · 49%
  • Fiets (incl. e-bike) · 25% · 30%
  • Openbaar vervoer · 12% · 13%
  • Lopen / anders · 5% · 8%

Model answer (about 2 minutes)

Dit staafdiagram laat zien hoe werknemers in Nederland naar hun werk gaan. Het vergelijkt 2015 met 2025, en de cijfers zijn in procenten.

Allereerst valt op dat de auto nog steeds het populairst is, maar wel minder dan tien jaar geleden. In 2015 ging 58 procent met de auto, in 2025 nog 49 procent. Dat is een daling van negen procentpunt. Daarmee gaat voor het eerst minder dan de helft met de auto.

Vervolgens zie je dat de fiets is gestegen, van 25 naar 30 procent. Het openbaar vervoer bleef ongeveer stabiel, rond de twaalf à dertien procent. Lopen en andere vormen zijn licht toegenomen.

Een mogelijke verklaring voor de groei van de fiets is de e-bike. Daarmee kun je ook een afstand van vijftien of twintig kilometer makkelijk fietsen. Daarnaast werken veel mensen tegenwoordig een paar dagen thuis, zodat ze minder vaak de auto nodig hebben.

Ten slotte: ik verwacht dat het aandeel van de auto verder daalt, vooral in de steden, omdat parkeren daar steeds duurder wordt. Voor het openbaar vervoer verwacht ik weinig verandering, tenzij de prijzen van treinkaartjes dalen.

Samengevat: de auto verliest terrein, en vooral de fiets wint.

Prompt B · medium task (30 seconds)

U ziet een cirkeldiagram over de vrije tijd van studenten: 40% sport, 30% werk naast de studie, 20% vrijwilligerswerk, 10% anders. Een docent vraagt u: "Wat valt u op aan dit diagram?" Antwoord in ongeveer 30 seconden.

Model: Wat mij opvalt, is dat sport het grootste deel is: veertig procent. Maar bijna een derde van de studenten werkt naast de studie. Dat vind ik veel, want dan heb je minder tijd om te studeren. Een mogelijke verklaring is dat het leven voor studenten duur is geworden.

Prompt C · medium task (30 seconds)

U werkt bij een gemeente. Op een informatieavond vraagt een bewoner: "Waarom wordt de parkeerplaats voor mijn deur een groenstrook?" Leg de situatie uit en geef een reden.

Model: Dat begrijp ik, het is een grote verandering. De gemeente wil meer groen in de wijk, omdat het in de zomer steeds warmer wordt. Bomen geven schaduw en houden regenwater vast. Er komen wel extra parkeerplaatsen aan de rand van de wijk, op ongeveer twee minuten lopen.

Prompt D · short task (20 seconds)

Een collega vraagt: "Hoe ging je presentatie gisteren?" Reageer.

Model: Goed, dank je! Ik was eerst zenuwachtig, maar de vragen na afloop gingen eigenlijk het best.

Say it out loud (iOS only)

  1. Dit staafdiagram vergelijkt 2015 met 2025.
  2. Dat is een daling van negen procentpunt.
  3. Het openbaar vervoer bleef ongeveer stabiel.
  4. Samengevat: de auto verliest terrein, en vooral de fiets wint.

Checklist (yes/no) · Prompt A

  1. Task: Did I describe the chart, name the main changes, give an explanation and an expectation?
  2. Structure: Did I follow the order wat – hoe – waarom – wat nu, with signal words (allereerst, vervolgens, ten slotte)?
  3. Selection: Did I name the most important figures, not all of them?
  4. Vocabulary: Did I use trend and chart words correctly (daling, procentpunt, licht toegenomen, stabiel)?
  5. Grammar: is gestegen / is gedaald with zijn; verb at the end after omdat, zodat, tenzij?
  6. Fluency: Did I speak for close to 2 minutes, without long silences?
  7. Pronunciation: Could a listener understand every number?

For Prompts B–D: answer in the first sentence; reason or example; right length (30 / 20 seconds).

Exam focus

  • Component: Spreken. Task type: long task (presenting a graph, table or situation) and medium tasks.
  • What the real task looks like: about 25 minutes on the computer with a headset. You speak to the computer, not to a person, and your answers are recorded. Programma II has 4 short tasks (about 20 seconds to answer), 8 medium tasks (about 30 seconds) and 1 long task (2 minutes, with preparation time). No dictionary. Two assessors judge the recordings.
  • What assessors look for (B2 speaking): clear, detailed descriptions; explaining a point of view; fluency; a range of words and structures; correct grammar; understandable pronunciation.
  • Most common mistakes:
  1. Starting with numbers before saying what the graph is about.
  2. Reading out every figure instead of naming the two or three main trends.
  3. Forgetting part of the task (no explanation or no expectation).
  4. Stopping after 45 seconds of a 2-minute task, or rushing and losing clarity.
  5. Mixing procent and procentpunt, or is gestegen with heeft gestegen.

Free practice, every week

Start improving your Dutch with our week's most interesting content for free. Cancel anytime.

Unsubscribe at any time.

We will never share your email.