Dutch verbs with fixed prepositions: the 40 most useful

You wait *for* the bus in English, but *op* de bus in Dutch. Many Dutch verbs come with a fixed preposition (*voorzetsel*) that you can't guess from English. Learn verb and preposition as one unit, and use the lists below as your reference.
Has Quiz

1. Learn the verb and preposition together

The preposition belongs to the verbum and often differs from English, or English has none at all.

Dutch · English

  • Ik wacht op de trein. · I'm waiting for the train.
  • Ik denk vaak aan je. · I often think of you.
  • Ik hou van fietsen. · I love cycling.
  • Luister je naar de radio? · Are you listening to the radio?

(Ik hou and ik houd are both correct; hou is more common in speech.)

2. Word order

The preposition + object usually comes late in the sentence, before the final verb(s). In a bijzin it comes before the verb group at the end. In speech you'll also hear it after the final verb.

Dutch · English

  • Ik heb een half uur op de bus gewacht. · I waited half an hour for the bus.
  • Ik heb me goed op het examen voorbereid. · I prepared well for the exam. (perfectum)
  • …, omdat ik nog aan het verkeer moet wennen. · …, because I still have to get used to the traffic.

3. People and things

For people, use the preposition + an object pronoun. For things, Dutch uses er + preposition.

Dutch · English

  • Op wie wacht je? Ik wacht op Fatima. Ik wacht op haar. · Who are you waiting for? … I'm waiting for her.
  • Waar wacht je op? Op de tram. Ik wacht erop. · What are you waiting for? The tram. I'm waiting for it.

4. The list, by preposition

op

Verb · English · Example

  • wachten op · wait for · Ik wacht op de bus.
  • letten op · pay attention to · Let op de fietsers!
  • rekenen op · count on · Je kunt op mij rekenen.
  • reageren op · respond to · Hij reageert niet op mijn mail.
  • lijken op · look like · Je lijkt op je moeder.
  • passen op · look after · Wie past op de kinderen?
  • stemmen op · vote for · Op welke partij stem jij?
  • overstappen op · change to (transport) · In Utrecht stap je over op de trein naar Zwolle.
  • zich voorbereiden op · prepare for · Ik bereid me voor op het examen.
  • zich verheugen op · look forward to · We verheugen ons op de vakantie.

aan

Verb · English · Example

  • denken aan · think of · Ik denk vaak aan mijn familie.
  • twijfelen aan · doubt · Ik twijfel aan dat plan.
  • meedoen aan · take part in · Doe je mee aan de fietstocht?
  • wennen aan · get used to · Ik moet nog wennen aan het weer.
  • werken aan · work on · Ze werkt aan een nieuw project.
  • zich ergeren aan · be annoyed by · Ik erger me aan fietsers zonder licht.

van

Verb · English · Example

  • houden van · love, like · Ik hou van lange fietstochten.
  • genieten van · enjoy · We genieten van het mooie weer.
  • afhangen van · depend on · Dat hangt af van het weer.
  • schrikken van · be startled by · Ik schrok van die scooter.

naar

Verb · English · Example

  • kijken naar · look at, watch · We kijken naar de wedstrijd.
  • luisteren naar · listen to · Luister je naar de radio?
  • zoeken naar · search for · Ze zoeken naar een oplossing.
  • vragen naar · ask about, ask for (info) · Hij vroeg naar de weg.
  • uitkijken naar · look forward to · Ik kijk uit naar het weekend.

over

Verb · English · Example

  • praten over · talk about · Waar praten jullie over?
  • nadenken over · think about, consider · Ik denk na over je voorstel.
  • klagen over · complain about · Iedereen klaagt over de vertraging.
  • gaan over · be about · Het boek gaat over de oorlog.

met

Verb · English · Example

  • helpen met · help with · Kun je me helpen met mijn fiets?
  • beginnen met · start (with) · We beginnen om negen uur met de les.
  • stoppen met · stop, quit · Hij is gestopt met roken.
  • trouwen met · marry · Ze trouwt met haar vriend.
  • rekening houden met · take into account · Houd rekening met vertraging.

voor

Verb · English · Example

  • zorgen voor · take care of; provide · Wie zorgt voor de hond?
  • kiezen voor · choose, opt for · Ik kies voor de trein.
  • slagen voor · pass (an exam) · Ze is geslaagd voor haar rijexamen.
  • uitkijken voor · watch out for · Kijk uit voor de tram!
  • zich interesseren voor · be interested in · Ik interesseer me voor politiek.

om, in, uit

Verb · English · Example

  • vragen om · ask for · Hij vraagt om hulp.
  • lachen om · laugh at/about · We lachten om zijn grap.
  • geloven in · believe in · Ik geloof in dit plan.
  • bestaan uit · consist of · De groep bestaat uit tien mensen.

5. Look-alikes: one verb, two prepositions

Pair · Difference

  • denken aan / denken over / denken van· think of (remember, have in mind) / have an opinion about, consider: Wat denk je over het plan?
  • vragen om / vragen naar · ask for something you want / ask about information or a person: Hij vroeg naar je.
  • uitkijken naar / uitkijken voor · look forward to / watch out for
  • lachen om / lachen naar · laugh about / smile at someone
  • praten met / praten over · talk to someone / talk about something

Common mistakes

Wrong · Right · Why

  • Ik wacht voor de bus. · Ik wacht op de bus. · wachten op
  • Ik denk over jou. (I miss you) · Ik denk aan jou. · denken aan = have in mind
  • Ik luister de radio. · Ik luister naar de radio. · luisteren needs naar
  • Ik vraag voor hulp. · Ik vraag om hulp. · vragen om
  • Ik wacht op het. · Ik wacht erop. · Things: er + preposition
  • Ik kijk uit voor de vakantie. · Ik kijk uit naar de vakantie. · Look forward = uitkijken naar

Practice

Loading...

Flashcards

Practice the verbs with their prepositions!

15 cards

Discussion

Free practice, every week

Start improving your Dutch with our week's most interesting content for free. Cancel anytime.

Unsubscribe at any time.

We will never share your email