Check our new -> Dutch group courses
Combined Shape CopyCreated with Sketch.

Referring to things

Learn to use pronouns to refer to object of de and het woorden. Dutch object pronouns-Learn Dutch online for free Dutch grammar exercises

Share&Save

Learn the theory

Referring to things in Dutch - pronouns

How do you refer to things in Dutch? Which pronouns should you use? Below you will find an explanation about the Dutch pronouns for referring to things.

1. De-woorden (singular)

  • De taart is lekker.

  • The cake is tasty.

  • Hij is lekker.

  • It is tasty.

  • Wil je hem proeven?

  • Do you want to try it?

All de-words are referred to as hij (subject) or hem (object).

2. Het-woorden (singular)

  • Het boek is mooi.

  • The book is beautiful.

  • Het is mooi.

  • It is beautiful.

  • Wil je het lenen?

  • Do you want to borrow it?

All het-words are referred to as het (subject) / het (object).

3. Plural: Ze

  • De taarten zijn lekker.

  • Ze zijn lekker.

  • Wil je ze proeven?

  • De boeken zijn mooi.

  • Ze zijn mooi.

  • Wil je ze lenen?

Practice with exercises

Vul in: hij, hem, het, ze

a) Bedankt voor de bloemen. __ zijn heel mooi. b) Wil je dit boek lenen? Ik heb __ al gelezen. c) Waar is mijn telefoon? Ik kan __ niet vinden. d) Je hebt een mooie trui. __ past goed bij je broek. e) Dit spel is saai. __ is te simpel. f) Deze wijn is duur, maar ik vind __ niet lekker

Solutions

a) Bedankt voor de bloemen. ZE zijn heel mooi. b) Wil je dit boek lenen? Ik heb HET al gelezen. c) Waar is mijn telefoon? Ik kan HEM niet vinden. d) Je hebt een mooie trui. HIJ past goed bij je broek. e) Dit spel is saai. HET is te simpel. f) Deze wijn is duur, maar ik vind HEM niet lekker