Zitten, liggen, staan of hangen?

In this Dutch grammar exercise, you have to fill in the right position verb. Choose from __zitten, liggen, staan__ and __hangen__.

1.Het bestek _____ op tafel.

zit
hangt
staat

2.De kast _____ in de woonkamer.

ligt
zit
hangt

Ready to practice?

Test your knowledge with 8 questions.