1. Eerst de vraag. Lees de vraag en onderstreep (in je hoofd) het belangrijkste woord: een dag, een prijs, een persoon, "wat moet u doen?". Nu weet je wat je zoekt.
2. Kijk naar de vorm van de tekst. Praktische teksten geven hints: een titel, een afzender, een datum, vetgedrukte woorden, een tabel, "Let op!". Een brief van de woningcorporatie gaat over je huis. Naar "Let op!" wordt bijna altijd gevraagd.
3. Eerst scannen, dan goed lezen. Ga snel met je ogen door de tekst tot je het belangrijke woord (of een getal) vindt. Lees dan die zin en de zin erna langzaam. De rest heb je bijna nooit nodig.
4. Pas op voor de valkuilen. Bij elke vraag zijn er twee foute antwoorden die er goed uitzien:
Streep door wat duidelijk fout is. Vergelijk daarna de laatste twee antwoorden met de zin in de tekst.
5. Reken goed. Is de vraag "wat betaalt ze?" Controleer dan: per persoon of in totaal? Kinderen of volwassenen? Een kortingskaart?
6. Let op de tijd. 65 minuten voor ongeveer 25 vragen is ongeveer 2,5 minuut per vraag. Duurt een vraag langer? Kies een antwoord, onthoud de vraag en ga door.
Onderdeel: Lezen. Soort opdracht: korte praktische teksten, meerkeuzevragen.
Veelgemaakte fouten
Word Pro-lid voor toegang tot exclusieve content, privéthreads en steun onze groeiende community.
Nog geen reacties — begin het gesprek