Combined Shape CopyCreated with Sketch.

Top 10 zelfstandige naamwoorden in het Nederlands (meest gebruikt)

Here is a list of the 10 most common nouns in Dutch

Ken jij ze allemaal?

1. Beetje (a little)

Natuurlijk een beetje! Een beetje. Je hoort dit woordje continue. Ik ben een beetje boos. Ik heb een beetje trek. Ik ga dit weekend een beetje sporten. Vaak betekent een beetje niet eens een beetje en wordt het woord willekeurig in zinnen gegooid. Als iemand "ik een beetje boos" zegt, is de kans groot dat hij of zij heel boos is.

2. Mensen (people)

Mensen zijn mensen en ze praten over mensen. Wat kunnen we er nog meer over zeggen?

3. Jaar (year)

We praten over het leven en het leven bestaat uit tijd. Logisch dat jaar niet het enige tijdwoord in deze lijst is. Laten we meteen naar nummer 4 en 5 gaan!

4. Tijd (time)

Dit woord leer je ongetwijfeld snel als je probeert af te spreken met een Nederlander. "Wanneer heb je tijd?" en "Vandaag heb ik geen tijd" zijn veelvoorkomende zinnen.

5. Dag (day)

Het betekent day maar je kunt het ook gebruiken in plaats van doei!

6. Dingen (things)

Dit is een handig woord om te kennen! Weet je een zelfstandig naam woord niet? gebruik gewoon "ding" of "dingen" en het komt wel goed. Nederlanders doen het constant. Je kunt zelfs "dinges" zeggen als je iemands naam vergeten bent (maar gebruik het niet als je praat met de betreffende persoon, dat vinden ze misschien niet leuk!)

7. man (man)

Man, dit woord hoor je vaak in informele gesprekken. Maak je geen zorgen, man of hey man, hoe gaat het? zijn voorbeelden en kunnen ook gebruikt worden voor vrouwen.

8. moment (moment)

Een momentje, alsjeblieft. Dit zinnetje leer je al snel als je in Nederland woont.

9. kinderen (children)

Kinderen is het meervoud van kind. Het is een van die woorden met een afwijkend meervoud, zoals blad - bladeren en ei - eieren.

10. hand (hand)

Een hand is een hand, maar het is meer dan dat. Het woord hand wordt ook gebruikt in uitdrukkingen zoals er is niks aan de hand (there is nothing going on) en iets bij de hand hebben (have something close at hand).