Combined Shape CopyCreated with Sketch.

aan het + infinitief

Zijn aan het + infinitief: Deze structuur wordt meestal gebruikt wanneer er op dit moment een actie aan de gang is.

Learn the theory

Zijn aan het + infinitief in het Nederlands: duratieve vorm van de tegenwoordige tijd

"Aan het + infinitief" wordt gebruikt voor acties die nog steeds voortduren. De actie is nog steeds gaande.

  • Ik ben aan het schoonmaken.

  • I am cleaning

  • Hij is aan het wandelen.

  • He is walking.

  • Zij is de hond aan het uitlaten.

  • She is walking the dog.

  • Wij zijn aan het koken.

  • We are cooking

Deze structuur wordt meestal gebruikt wanneer er op dit moment een actie aan de gang is. Stel je voor dat een vriend je belt terwijl je aan het eten bent. Je kan zeggen:

  • Ik kan nu niet bellen. Ik ben aan het eten.

  • I can't call now. I am eating.

De structuur kan echter ook worden gebruikt voor acties die in je leven plaatsvinden, maar niet precies op dit moment. Stel je voor dat je elke dag een boek leest vlak voordat je naar bed gaat. Je hebt het boek nog niet uit. In de ochtend drink je een kop koffie met een vriend en zeg je:

  • Ik ben nu een boek over de Tweede Wereldoorlog aan het lezen.

  • I am reading a book about the Second World War now.

Hoewel je het boek niet leest terwijl je koffie drinkt met je vriend, zou je zijn aan het + infinitief kunnen gebruiken. Je kunt ook de gewone tegenwoordige tijd gebruiken:

  • Ik lees nu een boek over de Tweede Wereldoorlog.

  • I read a book about the Second World War now.

Dutch with The Dutch Online Academy - Grammar explanations in both Dutch and English, Dutch podcasts, online Dutch Skype lessons and more!

Want to know the 40 most used verbs in Dutch?

Subscribe to our newsletter to get a weekly update, with new articles, podcast episodes and exercises to improve your Dutch , for free.

Max 1 mail per week, cancel anytime

Practice with exercises

Use the durative construction in Dutch. Look at the example. Gebruik de duratieve vorm. Kijk naar het voorbeeld.

Voorbeeld:

  • Hij eet een boterham.
  • Hij is een boterham aan het eten.

Now you/Nu jij:

  • Rosa slaapt.
  • Je klaagt.
  • Wij spelen gitaar.
  • Jullie wassen af.
  • Wilfred bestelt een biertje.
  • Ik denk na.

Solutions

  • Rosa is aan het slapen.
  • Je bent aan het klagen.
  • Wij zijn gitaar aan het spelen.
  • Jullie zijn aan het afwassen.
  • Wilfred is een biertje aan het bestellen.
  • Ik ben aan het nadenken.