1. Eenmalige gebeurtenissen in het verleden.
2. Een periode in het verleden.
Je combineert toen nooit met de tegenwoordige tijd.
1. (Mogelijke) gebeurtenissen, nu of in de toekomst (kan een conditie aangeven)
2. Herhaalde gebeurtenissen in het verleden.
Wanneer en als zijn in bovenstaande voorbeelden beide mogelijk. Als is gebruikelijker, vooral in spreektaal.
Toen kan ook een andere betekenis hebben (bijwoord). Het lijkt op daarna of in die tijd. Je gebruikt het in combinatie met de verleden tijd.
Wanneer kan ook een andere betekenis hebben (bijwoord). Het refereert aan een bepaald moment in de tijd. Je kunt het in dit geval niet door als vervangen.
Test your knowledge with 8 questions.
Word Pro-lid voor toegang tot exclusieve content, privéthreads en steun onze groeiende community.
Wees de eerste die een reactie achterlaat