Waar staat "niet"?

In korte zinnen staat *niet* gewoon aan het eind: *Ik werk niet.* In langere zinnen heb je een paar duidelijke regels nodig. In dit artikel zie je alles, van modale verba tot bijzinnen met omdat.
Has Quiz

1. Korte herhaling: geen of niet?

Gebruik geen bij een substantief met een of zonder lidwoord.

Gebruik niet voor al het andere: verba, adjectieven, namen, pronomens en substantieven met de, het, dit of mijn.

Nederlands · Engels

  • Ik heb geen auto. · I don't have a car.
  • Ik heb de auto niet. · I don't have the car.
  • Ik heb geen tijd. · I don't have time.

2. Niet aan het eind van het "midden"

Als niet de hele zin ontkent, staat het na het vervoegde verbum, het subject, pronomens, bepaalde objecten (de/het/die/mijn + substantief) en tijdwoorden.

Nederlands · Engels

  • Ik ken hem niet. · I don't know him.
  • Ik koop die fiets niet. · I'm not buying that bike.
  • We werken morgen niet. · We're not working tomorrow.
  • Morgen werken we niet. · Tomorrow we're not working. (inversie)

3. Niet vóór deze zinsdelen

Niet staat vóór:

Vóór … · Nederlands · Engels

  • een adjectief · Het huis is niet groot. · The house isn't big.
  • een plaats of een woordgroep met een prepositie · Ik woon niet in Utrecht. · I don't live in Utrecht.
  • Ik wacht niet op de bus. · I'm not waiting for the bus.
  • een bijwoord van manier · Ze praat niet snel. · She doesn't talk fast.
  • het scheidbare deel van een verbum · Ik bel hem vandaag niet op. · I'm not calling him today.

4. Twee verba: modale verba, gaan en het perfectum

Bij twee verba staat niet vóór het verbum aan het eind (de infinitief of het voltooid deelwoord) en vóór een adjectief of een woordgroep met een prepositie. Objecten en tijdwoorden staan nog steeds vóór niet.

Nederlands · Engels

  • Ik kan morgen niet komen. · I can't come tomorrow.
  • Ik wil die baan niet hebben. · I don't want that job.
  • We gaan dit jaar niet verhuizen. · We're not going to move this year.
  • Ik heb de mail niet gelezen. · I haven't read the email.
  • Hij is gisteren niet naar zijn werk gegaan. · He didn't go to work yesterday.
  • Ik heb hem nog niet opgebeld. · I haven't called him yet.

Handige volgorde om te onthouden: subject → verbum 1 → pronomen/bepaald object → tijd → niet → manier → plaats → verbum 2

5. Bijzinnen: omdat, als, dat

In een bijzin gaan alle verba naar het eind. Niet blijft vóór die groep verba staan, en ook vóór een adjectief of een woordgroep met een prepositie.

Nederlands · Engels

  • Ik blijf thuis, omdat ik me niet goed voel. · I'm staying home because I don't feel well.
  • Ik bel je, als ik morgen niet kan komen. · I'll call you if I can't come tomorrow.
  • Ze zegt dat ze de mail niet heeft gelezen. · She says she hasn't read the email.
  • Ik denk dat hij niet in Utrecht woont. · I think he doesn't live in Utrecht.
  • Ik vind dat het salaris niet hoog is. · I think the salary isn't high.

6. Contrast en vaste combinaties

Wil je een contrast maken met één woord? Zet niet er direct voor en gebruik maar:

Nederlands · Engels

  • Ik werk niet maandag, maar dinsdag. · I'm not working Monday, but Tuesday.
  • Niet ik, maar mijn collega heeft gebeld. · Not me, but my colleague called.

Leer deze als vaste combinaties:

Nederlands · Engels

  • nog niet · not yet
  • niet meer · no longer
  • helemaal niet · not at all
  • niet altijd · not always
  • ook niet · not … either

Ik woon niet meer in Amsterdam. · Ik ben nog niet klaar. · Ik ook niet.

Veelgemaakte fouten

Fout · Goed · Waarom

  • Ik heb de mail gelezen niet. · Ik heb de mail niet gelezen. · Niet staat vóór het voltooid deelwoord.
  • Ik kan komen niet. · Ik kan niet komen. · Niet staat vóór de infinitief.
  • Ik niet werk vandaag. · Ik werk vandaag niet. · In een hoofdzin staat niet nooit vóór het vervoegde verbum.
  • Ik woon in Utrecht niet. · Ik woon niet in Utrecht. · Niet staat vóór een plaatsaanduiding.
  • …, omdat ik voel me niet goed. · …, omdat ik me niet goed voel. · Na omdat: het verbum aan het eind.
  • Ik heb niet een auto. · Ik heb geen auto. · Een + substantief → geen.
  • Ik zie niet hem. · Ik zie hem niet. · Een pronomen staat vóór niet.
  • Het is duur niet. · Het is niet duur. · Niet staat vóór een adjectief.

Oefenen

Loading...

Flashcards

Oefen de ontkenningswoorden!

15 kaarten

Discussie

Gratis oefenen, elke week

Begin met het verbeteren van je Nederlands en ontvang elke week interessante taaltips en nieuwe woorden. Uitschrijven kan op elk moment.

Unsubscribe at any time.

We will never share your email