U of jij

In het Nederlands heb je twee woorden voor 'you': u (formeel) en jij of je (informeel). Je leert tegen wie je wat zegt, wat er met het verbum gebeurt na u, het verschil tussen uw en jouw, en hoe je beleefd iets vraagt: Kunt u…? of Kun je…?
Has Quiz
# pronomen

1. U of jij: wie spreek je hoe aan?

Tegen één persoon zeg je in het Nederlands u of jij (korte vorm: je). U is formeel en beleefd. Jij/je is informeel. Tegen een groep zeg je jullie, of u in een formele situatie.

Je zegt u tegen:

  • mensen die je niet kent, bijvoorbeeld in een winkel of op straat
  • oudere mensen
  • mensen in een formele situatie: bij de dokter, de bank of de gemeente, in een sollicitatiegesprek
  • bedrijven en instanties in een brief of e-mail: Geachte heer/mevrouw, …

Je zegt jij/je tegen:

  • vrienden en familie
  • collega's (op de meeste Nederlandse werkplekken)
  • kinderen en jongeren
  • steeds vaker ook klanten, in winkels, cafés en reclames: Wil je een bonnetje? · Do you want a receipt?

In Nederland gaan mensen vaak snel over op jij. Iemand zegt dan bijvoorbeeld: Zeg maar jij. Dan weet je dat het mag. Twijfel je? Begin dan met u. Dat is de veilige keuze: hooguit klinkt het wat formeel.

Zeg je meneer of mevrouw? Dan hoort daar u bij: Mevrouw, kunt u mij helpen? · Madam, could you help me?

2. Het verbum bij u: stam + -t

U betekent you, en in een gewone zin krijgt het verbum meestal dezelfde vorm als bij jij: stam + -t.

jij · u · Engels

  • jij werkt · u werkt · you work
  • jij woont · u woont · you live
  • jij kunt · u kunt · you can
  • jij wilt · u wilt · you want
  • jij bent · u bent · you are
  • jij hebt · u heeft · you have

Let op bij twee verba:

  • zijn: altijd u bent. Dus nooit u is, ook al zeg je hij is.
  • hebben: veel mensen zeggen u heeft, en die vorm gebruiken we in deze cursus. U hebt is ook goed, dus je ziet ze allebei.

Bij kunnen en willen hoor je ook u kan en u wil. Dat is ook goed, en in België heel gewoon. In deze cursus gebruiken we u kunt en u wilt.

3. Vragen: Werkt u…? houdt de t

In een vraag staat het verbum vóór het subject (inversie). Na jij/je valt de -t dan weg: Werk jij…?, Waar werk je? Na u blijft de -t staan: Werkt u…?, Waar werkt u?

jij/je · u · Engels

  • Werk jij hier? · Werkt u hier? · Do you work here?
  • Woon je in Utrecht? · Woont u in Utrecht? · Do you live in Utrecht?
  • Ben je klaar? · Bent u klaar? · Are you ready?
  • Heb je even tijd? · Heeft u even tijd? · Do you have a moment?

Alleen bij jij/je valt de -t weg, en alleen als jij/je direct na het verbum staat. Bij u verandert het verbum nooit: u werkt en werkt u.

4. Beleefd iets vragen: Kunt u…? of Kun je…?

Wil je dat iemand iets voor je doet? Begin dan met Kunt u…? of Kun je…? Het tweede verbum staat aan het eind, als infinitief. Wilt u…? en Wil je…? werken net zo.

Nederlands · Engels

  • Kunt u de rekening brengen? · Could you bring the bill?
  • Kun je een lepel brengen? · Can you bring a spoon?
  • Meneer, wilt u bestellen? · Sir, would you like to order?
  • Wil je iets drinken? · Would you like something to drink?

Mag ik…? is voor iedereen hetzelfde: Mag ik de rekening? Let ook op bij alsjeblieft en dank je wel: alstublieft en dank u wel horen bij u, alsjeblieft en dank je wel bij jij.

5. Uw of jouw?

Ook het possessief pronomen heeft een formele en een informele vorm. Bij u hoort uw. Bij jij/je hoort jouw of je.

u · jij/je · Engels

  • Wat is uw naam? · Wat is je naam? · What is your name?
  • Is dit uw tas? · Is dit jouw tas? · Is this your bag?
  • Heeft u uw paspoort? · Heb je je paspoort? · Do you have your passport?

Houd het in één zin hetzelfde: u hoort bij uw, jij/je bij jouw/je.

Veelgemaakte fouten

Fout · Goed · Waarom

  • ✗ Is u klaar? · ✓ Bent u klaar? · Bij u: bent, nooit is.
  • ✗ U werk hier. · ✓ U werkt hier. · Bij u: stam + -t.
  • ✗ Kun u de rekening brengen? · ✓ Kunt u de rekening brengen? · Alleen bij jij/je valt de -t weg.
  • ✗ Kunt je mij helpen? · ✓ Kun je mij helpen? · je direct na het verbum: geen -t.
  • ✗ Wat is u naam? · ✓ Wat is uw naam? · Het possessief pronomen is uw, met een w.
  • ✗ Heeft u je paspoort? · ✓ Heeft u uw paspoort? · u hoort bij uw.

In het kort

  • u = formeel: onbekenden, ouderen, formele situaties, brieven. jij/je = informeel: vrienden, familie, collega's, kinderen, en vaak ook in winkels.
  • Twijfel je? Begin met u. Ga over op jij als iemand zegt: Zeg maar jij.
  • Het verbum bij u eindigt op -t: u werkt, u bent, u kunt, u heeft.
  • Vragen: Werkt u…? houdt de -t. Werk jij…? verliest hem.
  • Beleefd iets vragen doe je met Kunt u…? of Kun je…?
  • Bij u hoort uw, bij jij hoort jouw/je.

Practice in Dutch

Loading...

Discussie

Gratis oefenen, elke week

Begin met het verbeteren van je Nederlands en ontvang elke week interessante taaltips en nieuwe woorden. Uitschrijven kan op elk moment.

Unsubscribe at any time.

We will never share your email