Learn Dutch via email
Learn Dutch via email

Access the new, most popular and most interesting resources to learn Dutch

Combined Shape CopyCreated with Sketch.

Boost your progress with a weekly compilation of video lessons, podcast episodes, dutch grammar, stories, exercise pdfs and much more.

Always free, cancel anytime
Combined Shape CopyCreated with Sketch.

Double infinitive

Learn Dutch online and learn why Dutch sentences can have lots of verbs. Dutch word order explained in English and Dutch.

Learn the theory

Double infinitive in Dutch: why does Dutch language have so many verbs?

There are verbs that you can combine in a main sentence with other verbs. You call these verbs auxiliary verbs. In this article we will give you some examples.

Some auxiliary verbs you use a lot. Like modal verbs and the verb "gaan":

  • Ik moet vandaag werken.

  • Jij kunt niet op vakantie gaan.

  • Wij gaan dinsdag een lange wandeling maken.

Some verbs are less known as an auxiliary verb:

  • Ik voel het aankomen.

  • Blijven jullie vanavond eten?

  • Theo leert Gerda fietsen.

When do we see the double infinitive? Simple:

1. if you use the perfectum with an auxiliary verb.

  • Ik heb vandaag moeten werken.

  • Jij hebt niet op vakantie kunnen gaan.

  • Wij zijn dinsdag een lange wandeling gaan maken.

  • Ik heb het voelen aankomen.

  • Zijn jullie blijven eten?

  • Theo heeft Gerda leren fietsen.

2. if you use two auxiliary verbs in a sentence.

  • Ik moet me kunnen concentreren.

  • Zou je ons de rekening willen geven?

  • Je moet het durven loslaten.

  • Ik wil hem helpen zwemmen.

  • Hij kan wel lopen roepen dat hij het niet wil, maar hij zal toch moeten gaan. 

Examples of auxiliary verbs:

  • Modal verbs (moeten, zullen, mogen, willen, kunnen)

  • Voorbeeld: Ik heb moeten wachten. 

  • Verbs of movement (gaan, komen, lopen)

  • Voorbeeld: Hij is komen opdagen.

  • Verbs of senses (zien, horen, voelen) 

  • Voorbeeld: Ik heb Piet vanmiddag zien fietsen.

  • Position verbs(staan, zitten, liggen) 

  • Voorbeeld: Wij hebben zitten werken.

  • The verbs blijven laten leren helpen voelen doen zijn*

  • Voorbeeld: Katerina is wezen fietsen (wezen = zijn).

Share & save