Check our new -> Dutch group courses
Combined Shape CopyCreated with Sketch.

Adjectives: with or without e

When do you write Dutch adjectives with an -e?

Share&Save

Learn the theory

How to write adjectives in Dutch: with or without -e

Including a Dutch grammar exercise to check your knowledge

The rules for writing adjectives become clearer by a few examples.

We take a look at a DE-word (de film) and a HET-word (het boek).

  • Ik kijk de mooie film.

  • Ik kijk een mooie film.

  • Ik lees het mooie boek.

  • Ik lees een mooi boek.

As you can see you write the adjective without E if it is an indefinite het-word.

You also write no E if there is no noun behind the adjective.

  • Ik kijk de mooie film.

  • Ik vind de film mooi.

  • Ik lees het mooie boek.

  • Ik vind het boek mooi.

Practice with exercises

1) Fill in the right form of the adjective in Dutch.

  1. De ___ appel is lekker (rood).
  2. Het ___ kind speelt met zijn vriendjes (klein).
  3. De soep is ___ (heet).
  4. Het ___ meisje maakt een puzzel (blond).
  5. Ik heb een ___ probleem (klein).
  6. Wij kopen een ___ auto (nieuw).
  7. Ik lees een ___ boek (dik).
  8. De stoel is ___ (blauw).
  9. Ik zit op de ___ stoel (blauw).
  10. Hij koopt een ___ stoel (blauw).
  11. Daar staat een ___ stoeltje (blauw).
  12. Ik zit op het ___ stoeltje (blauw).

2) Fill in the right form of the adjective in Dutch. Choose from: leuk / leuke.

  1. Ik heb een __ trui gekocht.
  2. De trui is __
  3. Dit is een __ tafeltje.
  4. Heb je dit __ artikel al gelezen?
  5. Ik vind dit een __ programma.
  6. Het programma is __

Solutions

__Exercise 1) __

  1. De RODE appel is lekker (rood).
  2. Het KLEINE kind speelt met zijn vriendjes (klein).
  3. De soep is HEET (heet).
  4. Het BLONDE meisje maakt een puzzel (blond).
  5. Ik heb een KLEIN probleem (klein).
  6. Wij kopen een NIEUWE auto (nieuw).
  7. Ik lees een DIK boek (dik).
  8. De stoel is BLAUW (blauw).
  9. Ik zit op de BLAUWE stoel (blauw).
  10. Hij koopt een BLAUWE stoel (blauw).
  11. Daar staat een BLAUW stoeltje (blauw).
  12. Ik zit op het BLAUWE stoeltje (blauw).

Exercise 2) The bold words are het-words. "Trui" is a de-word.

  1. Ik heb een leuke trui gekocht.
  2. De trui is leuk.
  3. Dit is een leuk tafeltje.
  4. Heb je dit leuke artikel al gelezen?
  5. Ik vind dit een leuk programma.
  6. Het programma is leuk.