Learn Dutch in a group!
Combined Shape CopyCreated with Sketch.

When to use Perfectum or Imperfectum in Dutch

Het Nederlandse perfectum (voltooid tegenwoordige tijd) en imperfectum (onvoltooid verleden tijd) zijn vaak verwarrend. Maar niet meer! Leer wanneer je welke tijd in het Nederlands moet gebruiken. Leer de theorie, oefen met de opdrachten en neem deel aan de discussie als je twijfelt.

Share&Save

Learn the theory

Je hebt verschillende manieren om over het verleden te praten in het Nederlands. Je kunt het perfectum gebruiken of het imperfectum.

  • Perfectum: ik heb op dinsdag gewerkt.

  • Imperfectum: ik werkte op dinsdag.

Wat is nu precies het verschil?

Goed nieuws

Er zijn verschillen tussen het perfectum en het imperfectum, maar in de praktijk kun je ze vaak beide gebruiken. Het Nederlands is hier erg flexibel in, veel flexibeler dan veel andere talen.

Het gebruik van het imperfectum in plaats van het perfectum of andersom, belemmert de communicatie niet. Toch klinkt je Nederlands natuurlijker als je de regels volgt.

Het belangrijkste verschil

Het imperfectum gebruik je om het verleden te beschrijven. Het perfectum gebruik je om een losse actie in het verleden te benoemen. We kijken naar een voorbeeld:

  • 1. Ik heb gisteren een kaartje voor het concert gekocht.

  • 2. Ik kocht gisteren een kaartje voor het concert.

In zin 1 ligt de focus op de actie of het resultaat van die actie. Je hebt een kaartje gekocht and that's it.

In zin 2 lijkt de zin een beschrijving van de situatie in het verleden. We verwachten dat er een verhaal komt. Bijvoorbeeld:

  • 2. Ik kocht gisteren een kaartje voor het concert en vijf minuten later was het concert uitverkocht! Ik was net op tijd. Wat een geluk!

Verhalen, zoals sprookjes, worden bijna altijd in het imperfectum geschreven. Hetzelfde geldt voor beschrijvingen van een periode in het verleden. Ook voor emoties of karaktereigenschappen van personen in het verleden gebruik je bijna altijd het imperfectum.

  • Roodkapje was onderweg naar haar grootmoeder, toen zij de wolf zag.*

  • Vroeger schreven mensen brieven, nu gebruiken ze e-mail.

  • Mijn opa was een hele lieve, intelligente man.

  • Het feestje was fantastisch.

  • Peter werd boos toen hij het nieuws hoorde.

* Luister naar het verhaal van Roodkapje in het imperfectum.

Andere verschillen

Als de focus op het resultaat van een actie ligt of als het resultaat nog waarneembaar is, gebruik je het perfectum.

  • Kijk, het heeft geregend. De straten zijn nat.

  • Sorry, ik kom te laat. Ik heb mijn bus gemist.

  • Bastiaan heeft zijn been gebroken, dus hij kan niet voetballen.

  • Ik ben mijn sleutels verloren, dus heb ik een probleem!

Als iets slechts één keer, nog nooit of enkele keren heeft plaatsgevonden, gebruik je meestal het perfectum.

  • Ik werkte vroeger in een café.

  • Ik heb één dag in een café gewerkt.

  • Ik heb een paar keer in een café gewerkt.

  • Ik heb nooit in een café gewerkt.

Practice with exercises

Choose the best option

  • A) In 1950 zijn er nog geen internet geweest.
  • B) In 1950 was er nog geen internet.
  • A) Wij zijn één keer in Griekenland geweest.
  • B) Wij waren één keer in Griekenland.
  • A) Ik heb nog nooit wijn gedronken.
  • B) Ik dronk nooit wijn.
  • A) Mijn oma is altijd vrolijk geweest.
  • B) Mijn oma was altijd vrolijk.
  • A) Kijk, Piet heeft zijn arm gebroken.
  • B) Kijk, Piet brak zijn arm.
  • A) Vroeger heb ik altijd computerspelletjes gespeeld.
  • B) Vroeger speelde ik altijd computerspelletjes.

Solutions

  • A) In 1950 zijn er nog geen internet geweest.
  • B) In 1950 was er nog geen internet.

Description of a period

  • A) Wij zijn één keer in Griekenland geweest.
  • B) Wij waren één keer in Griekenland.

Perfectum combines well with "één keer"

  • A) Ik heb nog nooit wijn gedronken.
  • B) Ik dronk nooit wijn.

Perfectum combines well with "nog nooit"

  • A) Mijn oma is altijd vrolijk geweest.
  • B) Mijn oma was altijd vrolijk.

Description

  • A) Kijk, Piet heeft zijn arm gebroken.
  • B) Kijk, Piet brak zijn arm.

Result still visible

  • A) Vroeger heb ik altijd computerspelletjes gespeeld.
  • B) Vroeger speelde ik altijd computerspelletjes.

Description of a period