Combined Shape CopyCreated with Sketch.

Comparative and superlative of Dutch adjectives: how to compare things

Comparatives and superlatives in Dutch are not that difficult. Learn everything you need about Dutch language comparatives and superlatives

Learn the theory

Comparatives in Dutch

Let's take a look at some adjectives.

  • mooi

  • leuk

  • interessant

  • duur

It's actually really easy to turn these adjectives in a comparative by just adding "-er".

  • Dit schilderij is mooier dan dat schilderij.

  • Deze film is leuker dan die film.

  • Het verhaal wordt interessanter.

  • De tickets voor het festival zijn duurder dan vorig jaar.

Ok, in the last example you might have noticed that we didn't add "-er", but "-der". This is because duur ends with an r. To make the sound easier to pronounce and more clear, a d is added. This also happens with lekkerder, raarder and verder, to name a few.

If you put the noun behind the comparative, you have to take the rule of the "e" into account.

  • Dit is een mooier schilderij.

  • Wij kijken een leukere film dan de vorige keer.

Superlatives in Dutch

Let's continue with the adjectives we used above: mooi, leuk, interessant and duur.

To make a superlative you add "het" in front of the adjective and "-st(e)" behind it.

  • Dit schilderij is het mooist(e).

  • Deze film is het leukst(e).

  • Het verhaal is het interessantst(e).

  • De tickets voor het festival zijn het duurst(e).

If the noun is behind the verb, you have to take the rule of the "e" into account (again, below you'll find a link to a profound explanation). Also, you have to use "het" or "de" depending on the word.

  • Dit is het mooiste schilderij.

  • Dit is de leukste film.

Irregulars

There are a few adjectives that have an irregular comparative and/or superlative.

  • goed - beter - best

  • graag - liever - liefst

  • weinig - minder - minst

  • veel - meer - meest

Practice with exercises

Fill in the right form of the comparative or superlative of the adjective between hooks

  1. Henk is een ___ speler dan Peter. (goed)
  2. Ik kan ___ koken dan mijn buurman. (goed)
  3. Ik heb een ___ resultaat dan jij. (slecht)
  4. Dit boek is ___ dan dat boek. (dik)
  5. Mijn broer is ___ dan ik, (lang) maar mijn zus is het _ (lang).
  6. Het is hier ___ dan in Scandinavië. (warm)
  7. In de tropen is het het ___ . (warm)
  8. Ik wil graag de ___ wijn die u heeft. (goedkoop)
  9. Ik heb veel boeken, maar jij heb er ___ . (veel)
  10. Hendrik heeft __ geld dan zijn neef. (weinig)

Solutions

  1. Henk is een betere speler dan Peter. (goed)
  2. Ik kan beter koken dan mijn buurman. (goed)
  3. Ik heb een slechter resultaat dan jij. (slecht)
  4. Dit boek is dikker dan dat boek. (dik)
  5. Mijn broer is langer dan ik, (lang) maar mijn zus is het langst. (lang)
  6. Het is hier warmer dan in Scandinavië. (warm)
  7. In de tropen is het het warmst . (warm)
  8. Ik wil graag de goedkoopste wijn die u heeft. (goedkoop)
  9. Ik heb veel boeken, maar jij heb er* meer . (veel)
  10. Hendrik heeft minder geld dan zijn neef. (weinig)

*Do you wonder why we used "er" in sentence 9? You'll find more information here

Share & save