Check our new -> Dutch group courses
Combined Shape CopyCreated with Sketch.

Separable verbs in Dutch: how to split them

Learn how to separate separable verbs in Dutch | You find Dutch exercises and clear explanations on our website: The Dutch Online Academy.

Share&Save

Learn the theory

You have many separable verbs in Dutch.

  • Opnemen

  • Uitgaan

  • Aankleden

  • Overslaan

  • Opstaan

  • Afwassen

  • Nadenken

  • Inpakken

  • Opvallen

These are just a few examples. There are many separable verbs.

If a separable verb is the finite (conjugated) verbs, the first part of the word comes at the end of the sentence.

  • Ik neem de telefoon op.

  • Wij gaan vanavond uit.

  • Frits kleed zich aan.

  • Jullie slaan drie opdrachten over.

  • Hij staat altijd om zeven uur op.

  • Mijn vader wast de borden af.

  • Ze denkt even na.

  • Ik pak het cadeautje in.

  • Mijn gele jas valt erg op.

  • Kijk je uit?

Be aware: Words starting with ver-, be-, her- , ont-, ge- are not separable.

Examples: vergeten, begrijpen, herhalen, onthouden, gebruiken.

Practice with exercises

Scheidbare werkwoorden / Separable verbs

Opdracht 1)

Scheid de werkwoorden in de tegenwoordige tijd / Split the verbs in present tense.

A1/A2

  1. Ik __ de borden __. (afwassen)
  2. Henk __ om 7 uur __. (opstaan)
  3. __ je kamer __! (opruimen)
  4. Het meisje __ haar telefoon __. (opladen)
  5. Ik __ het cadeautje __. (inpakken)
  6. Mijn vriend __ het cadeautje __. (uitpakken)
  7. Karel __ __. (nadenken).
  8. De jongen __ de telefoon __. (opnemen)

Opdracht 2) Plaats het werkwoord op de juiste plaats in de zin. Moet je het werkwoord scheiden? / Place the verb in the right place in the sentence. Do you have to split it?

  1. De moeder haar kinderen. (ophalen)
  2. De man de borden. (afdrogen)
  3. Wij moeten het bed. (opmaken)
  4. Ik deze rotte appels. (weggooien)
  5. De auto de bus. (inhalen)
  6. De student haar scriptie. (inleveren)
  7. De kat de hond. (aanvallen)
  8. je je huiswerk? (afmaken)
  9. Morgen kan ik. (uitslapen)

Solutions

ANTWOORDEN / ANSWERS

Opdracht 1)

Scheid de werkwoorden in de tegenwoordige tijd / Split the verbs in present tense.

A1/A2

  1. Ik was de borden af. (afwassen)
  2. Henk staat om 7 uur op. (opstaan)
  3. Ruim je kamer op! (opruimen)
  4. Het meisje laadt haar telefoon op. (opladen)
  5. Ik pak het cadeautje in. (inpakken)
  6. Mijn vriend pakt het cadeautje uit. (uitpakken)
  7. Karel denkt na. (nadenken).
  8. De jongen neemt de telefoon op. (opnemen)

Opdracht 2)

Plaats het werkwoord op de juiste plaats in de zin. Moet je het werkwoord scheiden? / Place the verb in the right place in the sentence. Do you have to split it?

  1. De moeder haalt haar kinderen op. (ophalen)
  2. De man droogt de borden af. (afdrogen)
  3. Wij moeten het bed opmaken. (opmaken)
  4. Ik gooi deze rotte appels weg. (weggooien)
  5. De auto haalt de bus in. (inhalen)
  6. De student levert haar scriptie in. (inleveren)
  7. De kat valt de hond aan. (aanvallen)
  8. Maak je je huiswerk af? (afmaken)
  9. Morgen kan ik uitslapen. (uitslapen)