Learn Dutch via email
Learn Dutch via email

Access the new, most popular and most interesting resources to learn Dutch

Combined Shape CopyCreated with Sketch.

Boost your progress with a weekly compilation of video lessons, podcast episodes, dutch grammar, stories, exercise pdfs and much more.

Always free, cancel anytime
Combined Shape CopyCreated with Sketch.

The difference between Toen, Wanneer and Als

Study Dutch grammar and learn when to use Als, Toen or Wanneer.

Learn the theory

Toen (conjunction)

1. One-time events in the past.

  • Toen het vijf uur was, ging hij naar huis.

  • Ik was niet thuis, toen Peter belde.

2. A period in the past.

  • Toen ik klein was, geloofde ik in Sinterklaas.

  • Toen ik in Amsterdam woonde, had ik veel vrienden.

You never combine toen with present tense. 

Wanneer/Als (conjunction)

1. (Possible) events now or in the future (can indicate a condition)

  • Wanneer/als het regent, ga ik niet naar de voetbaltraining.

  • Wanneer/als ik slecht slaap, kan ik me niet concentreren.

  • Ik ga naar huis, wanneer/als het vijf uur is.

2. Repeated events in the past

  • Wanneer/als het regende, bleven we binnen.

  • De baby huilde wanneer/als hij honger had.

  • Wanneer/als ik een woord niet kende, zocht ik het op internet op.

Note that wanneer and als are both possible in above sentences. Als is a bit more common, especially in speech. 

Other uses of toen and wanneer

Toen can also have a different meaning (adverb). It looks like daarna or in die tijd. You use it when you talk about things in the past.

  • Eerst heb ik gewerkt en toen/daarna heb ik Jan gebeld. 

  • Mijn vader is geboren 1975. Toen/In die tijd was er nog geen internet. 

  • Robin speelde de bal naar Kees en toen/daarna maakte Kees een doelpunt!

Wanneer can also have a different meaning (adverb). It refers to a certain moment in time.  You can’t replace it by als in this case. 

  • Ik ben vergeten wanneer je jarig bent.

  • Wanneer ga je naar huis?

Practice with exercises

Vul in: Wanneer - als - toen

  • … ik ziek ben, ga ik niet werken.
  • Ik kreeg korting … ik mijn telefoon kocht.
  • … we naar Nederland verhuisden, hebben we veel spullen verkocht.
  • … mijn tante op bezoek kwam, kreeg ik altijd mooie cadeaus.
  • Mijn beste vriend hielp me altijd … ik problemen had.
  • ... het regende, ging de training niet door.
  • … ik een tiener was, hield ik van computerspelletjes.
  • ... je in de problemen komt, kun je op mij rekenen.
  • Zij had een bijbaantje, ... zij studeerde.
  • ... het te druk was in het café, gingen we meestal naar het park.

Solutions

Vul in: Wanneer - als - toen

  • ALS/WANNEER ik ziek ben, ga ik niet werken.
  • Ik kreeg korting TOEN ik mijn telefoon kocht.
  • TOEN we naar Nederland verhuisden, hebben we veel spullen verkocht.
  • ALS/WANNEER mijn tante op bezoek kwam, kreeg ik altijd mooie cadeaus.
  • Mijn beste vriend hielp me altijd ALS/WANNEER ik problemen had.
  • ALS/WANNEER het regende, ging de training niet door. (toen = also possible if you view it as a one time event)
  • TOEN ik een tiener was, hield ik van computerspelletjes.
  • ALS/WANNEER je in de problemen komt, kun je op mij rekenen.
  • Zij had een bijbaantje, TOEN zij studeerde.
  • ALS/WANNEER het te druk was in het café, gingen we meestal naar het park.
Share & save