Check our new -> Dutch group courses
Combined Shape CopyCreated with Sketch.

Verbs: present tense

Learn everything you need to know about the Dutch language and practice with Dutch exercises. Dutch is not a hard language to learn!

Share&Save

Learn the theory

verbs

The conjugation of the present tense in Dutch is pretty simple.

You take the infinitive: werken

Je take away -en: werk

werk is the stem.

werk is the ik-vorm.

  • Ik = stem*

  • jij = ik-vorm + t

  • hij/zij/het/u = ik-vorm + t

  • Wij = infinitief

  • Jullie = infinitief

  • Zij = infinitief

* Sometimes you have to adjust the stem a little for the I form to keep the right sound:

  • maken - en = mak --> ik maak

  • spelen - en = spel --> ik speel

  • spellen - en = spell --> ik spel

  • eten - en = et --> ik eet

Some verbs don't end in -en: gaan, staan, slaan, zien, doen. The conjugations of these verbs is like this:

  • ik doe

  • jij doet

  • hij/zij/het doet

  • wij doen

  • jullie doen

  • zij doen

Of course there are also irregular verbs in present tense.

Practice with exercises

Regular present tense

a) Hij ___ naar huis. (lopen)

b) Het kind ___ het huiswerk. (maken)

c) De vogels ___ nootjes. (eten)

d) Jij ___ langzaam. (rijden)

e) De vrouw ___ duidelijk. (spreken)

f) De papieren ___ op tafel. (liggen)

Solutions

a) Hij loopt naar huis. (lopen)

b) Het kind maakt het huiswerk. (maken)

c) De vogels eten nootjes. (eten)

d) Jij rijdt langzaam. (rijden)

e) De vrouw spreekt duidelijk. (spreken)

f) De papieren liggen op tafel. (liggen)