Learn Dutch via email
Learn Dutch via email

Access the new, most popular and most interesting resources to learn Dutch

Combined Shape CopyCreated with Sketch.

Boost your progress with a weekly compilation of video lessons, podcast episodes, dutch grammar, stories, exercise pdfs and much more.

Always free, cancel anytime
Combined Shape CopyCreated with Sketch.

Verleden tijd

Hier leer je de onregelmatige werkwoorden in het Nederlands. Leer de sterke werkwoorden en de zwakke werkwoorden met grammatica-oefeningen. Verbeter je Nederlands met The Dutch Online Academy.

Learn the theory

Werkwoorden in de verleden tijd

Imperfectum Nederlands

We beginnen met een voorbeeld van een regelmatig werkwoord (werken). In de laatste kolom zie je de verleden tijd.

overzicht tijden

Het werkwoord werken is regelmatig in alle tijden zoals je in de tabel kunt zien. Je kunt PoCKeTFiSH of SoFTKeTCHuP gebruiken om te kijken of het werkwoord eindigt in de(n) of te(n). In de tabel hieronder zie je een regelmatig werkwoord dat op de(n) eindigt. Als je dit concept niet kent, kun je op de link onder dit artikel klikken (PoCKeTFiSH).

imperfectum dutch simple past

Onregelmatige werkwoorden in de verleden tijd

Nu kijken we naar een paar belangrijke onregelmatige werkwoorden in de verleden tijd:

  • zijn (to be)

  • Ik was blij met het cadeau. Wij waren blij met het cadeau.

  • hebben (to have)

  • Ik had vroeger een kat. Wij hadden vroeger een kat.

  • doen (to do)

  • Hij deed niets. Jullie deden niets.

  • krijgen (to receive, to get)

  • Jij kreeg een compliment. Zij kregen complimenten.

  • kijken (to look, to watch)

  • Hij keek televisie. Jullie keken televisie.

  • zien (to see)

  • Zij zag een bijzondere vogel. Zij zagen een bijzondere vogel.

  • kopen (to buy)

  • Ik kocht een nieuwe telefoon. Wij kochten een nieuwe telefoon.

  • denken (to think)

  • Hij dacht aan haar. Zij dachten aan haar.

  • schrijven (to write)

  • Ik schreef een brief. Jullie schreven een brief.

  • eten (to eat)

  • Hij at een appel. Zij aten een appel.

  • gaan (to go)

  • Ik ging naar huis. Wij gingen naar huis.

  • komen (to come)

  • Jij kwam te laat. Zij kwamen te laat.

  • worden (to become)

  • Ik werd boos. Zij werden boos.

Practice with exercises

Opdracht 1) Regular verbs

Zet de werkwoorden in de verleden tijd. / Put the verbs in simple past.

  1. Ik __ bij een bank. (werk)
  2. Mijn tante __ naar haar werk. (fietsen)
  3. Hij __ zijn kamer . __(opruimen)
  4. De jongen __ om de grappige film. (lachen)
  5. Jij __ me niet. (snappen)
  6. Ik __ mijn woordenboek tijdens de toets. (gebruiken)

Opdracht 2) Irregular verbs

Zet de werkwoorden in de verleden tijd. / Put the verbs in simple past.

  1. Ik __ elke avond voor het slapengaan. (lezen)
  2. Wij __ naar Frankrijk. (rijden)
  3. Jullie __ altijd in het park. (zitten)
  4. Vroeger __ jullie geen series. (kijken)
  5. Je __ me niet. (begrijpen)
  6. Vroeger __ ik drie kopjes koffie per dag. Nu drink ik er twee. (drinken)

Solutions

Antwoorden / Answers

Opdracht 1) Regular verbs

Zet de werkwoorden in de verleden tijd. / Put the verbs in simple past.

  1. Ik werkte bij een bank. (werk)
  2. Mijn tante fietste naar haar werk. (fietsen)
  3. Hij ruimde zijn kamer op. (opruimen)
  4. De jongen lachte om de grappige film. (lachen)
  5. Jij snapte me niet. (snappen)
  6. Ik gebruikte mijn woordenboek tijdens de toets. (gebruiken)

Opdracht 2) Irregular verbs

Zet de werkwoorden in de verleden tijd. / Put the verbs in simple past.

  1. Ik las elke avond voor het slapengaan. (lezen)
  2. Wij reden naar Frankrijk. (rijden)
  3. Jullie zaten altijd in het park. (zitten)
  4. Vroeger keken jullie geen series. (kijken)
  5. Je begreep me niet. (begrijpen)
  6. Vroeger dronk ik drie kopjes koffie per dag. Nu drink ik er twee. (drinken)
Share & save