Learn Dutch via email
NEWFind out your Dutch levelTake the short quiz free

Get to your Dutch Language goals improving regularly

Combined Shape CopyCreated with Sketch.

Boost your progress with a weekly compilation of video lessons, podcast episodes, dutch grammar, stories, exercise pdfs and much more.


Free, cancel anytime
Combined Shape CopyCreated with Sketch.

Wanneer gebruik je beide, beiden en allebei in het Nederlands?

When do you use beide, beiden or allebei? All three words seem to be translated as both. Here you will read all about the differences between these words. Including free exercises!

Share&Save

Learn the theory

Wat is het verschil tussen beide, beiden & allebei? Ontdek het en test jezelf met de opdrachten hieronder.

1. Beide

Het woord beide kan gebruikt worden als both in het Engels. Je kunt dit woord op twee manieren gebruiken: onafhankelijk of voor een zelfstandig naamwoord (noun). Laten we naar een paar voorbeelden kijken:

Onafhankelijk gebruik (verwijzen naar dingen)

  • A. Heb je de artikelen gelezen? Ja, ik heb ze beide gelezen. Did you read the articles? Yes, I read them both.

  • B. Ik heb twee documentaires gezien. Beide waren erg interessant. I have seen two documentaries. Both were very interesting.

Voor een zelfstandig naamwoord (noun):

  • C. Ik heb beide artikelen gelezen. I have read both articles.

  • D. Beide jongens dragen een spijkerbroek. Both boys wear jeans.

2. Beiden

Het woord beiden kan ook vertaald worden als both in het Engels. Je kunt dit woord alleen gebruiken om te verwijzen naar mensen. Maar let op: je gebruikt altijd beide (zonder -n) voor een zelfstandig naamwoord. Ook als het over een persoon gaat.

  • E. De jongens dragen beiden een spijkerbroek. The boys are both wearing jeans.

  • F. Je hebt ons beiden uitgenodigd. You invited us both.

  • G. Beiden zijn getrouwd. Both are married.

  • H. Mijn buren zijn beiden op vakantie. My neighbours are both on a holiday.

Maar: Beide buren zijn op vakantie (want er staat een zelfstandig naamwoord achter).

3. Allebei

Je kunt allebei voor zowel dingen als mensen gebruiken. Dit woord heeft veel overlap met beide en beiden, maar het gebruik is een beetje anders.

Voor een zelfstandig naamwoord kun je zowel allebei als beide gebruiken, maar je moet de toevoegen. Dit staat een beetje informeel:

  • C. Ik heb beide artikelen gelezen. Ik heb allebei de artikelen gelezen. I have read both articles.

  • D. Beide jongens dragen een spijkerbroek. Allebei de jongens dragen een spijkerbroek. Both boys wear jeans.

Om naar mensen of dingen te verwijzen, kun je allebei gebruiken als er ook een pronomen of zelfstandig naamwoord in de zin staat dat naar hetzelfde verwijst. Kijk goed naar de onderstreepte woorden:

  • A. POSSIBLE Heb je de artikelen gelezen? Ja, ik heb ze beide gelezen. Heb je de artikelen gelezen? Ja, ik heb ze allebei gelezen. Did you read the articles? Yes, I read them both.

  • B. NOT POSSIBLE Ik heb twee documentaires gezien. Beide waren erg interessant. I have seen two documentaries. Both were very interesting. Dit kan wel: Ze waren allebei erg interessant.

  • E. POSSIBLE De jongens dragen beiden een spijkerbroek. De jongens dragen allebei een spijkerbroek. The boys are both wearing jeans.

  • F. POSSIBLE Je hebt ons beiden uitgenodigd. Je hebt ons allebei uitgenodigd. You invited us both.

  • G. NOT POSSIBLE Beiden zijn getrouwd. Both are married. Dit kan wel: Ze zijn allebei getrouwd.

  • H. POSSIBLE Mijn buren zijn beiden op vakantie. Mijn buren zijn allebei op vakantie. My neighbours are both on a holiday.

Practice with exercises

  1. Ik heb __ ministers ontmoet.
  2. Hij heeft __ boeken bij de bibliotheek geleend.
  3. Sasha en Nienke studeren in Leiden. __ studeren psychologie.
  4. We hadden onze fietsen tegen deze muur gezet. __ zijn nu gestolen.
  5. De zussen hebben __ een rijbewijs.
  6. Ik heb __ kinderen een ijsje gegeven.
  7. Ik heb jullie __ de waarheid verteld.
  8. Hij heeft __ schoonouders nog nooit gezien.

Solutions

  1. Ik heb BEIDE ministers ontmoet.
  2. Hij heeft BEIDE boeken bij de bibliotheek geleend.
  3. Sasha en Nienke studeren in Leiden. BEIDEN studeren psychologie.
  4. We hadden onze fietsen tegen deze muur gezet. BEIDE zijn nu gestolen.
  5. De zussen hebben BEIDEN een rijbewijs.
  6. Ik heb BEIDE kinderen een ijsje gegeven.
  7. Ik heb jullie BEIDE de waarheid verteld.
  8. Hij heeft BEIDE schoonouders nog nooit gezien.

Related practice books!

See all books