Learn Dutch in a group!
Looking for learning Dutch in a group?

Conjunctions and word order

Are you doubting about the word order in Dutch? Here you will find a clear explanation and exercises. Learn Dutch Online for Free and follow your own path.

Learn the theory

Conjunctions affect the word order. In the table below you will find the most important conjunctions with examples.

Main sentence + main sentence (normal word order): maar, en, of, want, dus (MEOW + D)

  • Vandaag ben ik vrij, maar morgen moet ik werken.

  • Het is koud en het waait hard.

  • Vanavond ga ik koken of ik bestel een pizza. Ik weet het nog niet.

  • Ik kan geen boodschappen doen, want de winkels zijn dicht.

  • Het regent, dus blijf ik binnen.

Main sentence + clause (verbs come at the end of the clause): omdat, als, terwijl, hoewel, zodra, voordat, nadat, totdat, zodat, toen, mits, indien, tenzij.

  • Ik moet naar school lopen, omdat mijn fiets kapot is.

  • We gaan naar het strand, als het lekker weer is.

  • Jij kookt, terwijl ik de was doe.

  • Hij is gelukkig, hoewel hij niet rijk is.

  • Het programma start automatisch, zodra u uw computer opstart.

  • Je moet een examen doen, voordat je een diploma krijgt.

  • Hij vertrekt naar AustraliĆ«, nadat hij afscheid heeft genomen.

  • We waren arm, tot(dat) mijn moeder een goede baan kreeg.

  • Ik zet een wekker, zodat ik op tijd wakker word.

  • Ik had geen mobiele telefoon, toen ik tien jaar oud was.

  • Je mag deze film zien, mits je zestien jaar of ouder bent.

  • Je kunt hier parkeren, indien je een vergunning hebt.

  • Je mag deze film zien, tenzij je jonger bent dan zestien jaar.

Practice with exercises

Opdracht / Exercise

Kies uit: zodra, terwijl, hoewel, tenzij, sinds, maar, omdat, als, dus, toen

a. Ik verkoop mijn huis, ___ ik mijn droomhuis heb gevonden.

b. Wij zijn niet boos, ___ wel een beetje teleurgesteld.

c. Er staat een file op de snelweg, ___ ik kom met de trein naar je toe.

d. Sarah werkt graag in de tuin, ___ het regent. Ze houdt niet van regen.

e. ___ je te laat naar bed gaat, ben je morgen niet fit.

f. ___ ik geen verstand van beleggen heb, heb ik mijn vriend advies gegeven.

g. ___ Willem gezonder eet, zit hij beter in zijn vel. Dat kun je zien.

h. Mijn oudoom was niet thuis, ___ ik hem belde.

i. Richard ligt te zonnen, ___ Janneke in het zwembad springt.

j. Gisteren heb ik drie kilo mandarijnen gekocht, ___ ze in de aanbieding waren.

Solutions

Antwoorden / Answers

Kies uit: zodra, terwijl, hoewel, tenzij, sinds, maar, omdat, als, dus, toen

a. Ik verkoop mijn huis, ALS/ZODRA/OMDAT ik mijn droomhuis heb gevonden.

b. Wij zijn niet boos, MAAR wel een beetje teleurgesteld.

c. Er staat een file op de snelweg, DUS ik kom met de trein naar je toe.

d. Sarah werkt graag in de tuin, TENZIJ het regent. Ze houdt niet van regen.

e. ALS je te laat naar bed gaat, ben je morgen niet fit.

f. HOEWEL ik geen verstand van beleggen heb, heb ik mijn vriend advies gegeven.

g. SINDS/OMDAT Willem gezonder eet, zit hij beter in zijn vel. Dat kun je zien.

h. Mijn oudoom was niet thuis, TOEN ik hem belde.

i. Richard ligt te zonnen, TERWIJL Janneke in het zwembad springt.

j. Gisteren heb ik drie kilo mandarijnen gekocht, OMDAT ze in de aanbieding waren.

Share & save